next keuze menu terug


1.Het begin des Evangelies van Jezus Christus den Zoon Gods.
2.Gelijk geschreven is in de Profeten; Zie, Ik zend mijnen Engel voor uw aangezicht, die uwen weg voor u henen bereiden zal: (Maleachi 3:1)
3.de stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt zijne paden recht. (Jesaja 40:3)
4.Johannes was doopende in de woestijn, en predikende den doop der bekeering tot vergeving der zonden.
5.En al het Joodsche land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem; en zij werden allen van hem gedoopt in de rivier den Jordaan, belijdende hunne zonden.
6.En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met eenen lederen gordel om zijne lendenen, en at sprinkhanen en wilden honig.
7.En hij predikte, zeggende: Na mij komt die sterker is dan ik, wien ik niet waardig ben, nederbukkende den riem zijner schoenen te ontbinden.
8.Ik heb ulieden wel gedoopt met water, maar hij zal u doopen met den Heiligen Geest.
9.En het geschiedde in die dagen dat Jezus kwam van Nazareth, gelegen in Galiléa, en werd van Johannes gedoopt in den Jordaan.
10.En terstond als hij uit het water opklom, zag hij de hemelen opengaan, en den Geest gelijk eene duive op hem nederdalen.
11.En daar geschiedde eene stem uit de hemelen: Gij zijt mijn geliefde Zoon, in denwelke Ik mijn welbehagen heb.
12.En terstond dreef hem de Geest uit in de woestijn.
13.En hij was aldaar in de woestijn veertig dagen, verzocht van den satan, en was bij de wilde gedierten; en de Engelen dienden hem.
14.En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galiléa, predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods,
15.en zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen: bekeert u en gelooft het Evangelie.
16.En wandelende bij de Galileesche zee, zag hij Simon en Andréas zijner broeder, werpende het net in de zee (want zij waren visschers);
17.en Jezus zeide tot hen: Volgt mij na, en ik zal maken dat gij visschers der menschen zult worden.
18.En zij terstond hunne netten verlatende, zijn hem gevolgd.
19.En van daar een weinig voortgegaan zijnde, zag hij Jacobus den zoon van Zebedeüs, en Johannes zijnen broeder, en dezelven in het schip hunne netten vermakende;
20.en terstond riep hij ze; en zij latende hunnen vader Zebedeüs in het schip met de huurlingen, zijn hem nagevolgd.
21.En zij kwamen binnen Kapernaüm; en terstond op den sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde, leerde hij.
22.En zij versloegen zich over zijne leer; want hij leerde hen als machthebbende, en niet als de schriftgeleerden.
23.En daar was in hunne synagoge een mensch met eenen onreinen geest, en hij riep uit,
24.zeggende: Laat af, wat hebben wij met u te doen, gij Jezus Nazarener? Zijt gij gekomen om ons te verderven? Ik ken u wie gij zijt, namelijk de Heilige Gods.
25.En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil en ga uit van hem.
26.En de onreine geest hem scheurende, en roepende met eene groote stem, ging uit van hem.
27.En zij werden allen verbaasd, zoodat zij onder elkander vraagden, zeggende: Wat is dit? Wat nieuwe leer is deze, dat hij met macht ook den onreinen geesten gebiedt, en zij hem gehoorzaam zijn!
28.En zijn gerucht ging terstond uit in het geheele omliggende land van Galiléa.
29.En van stonde aan uit de synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andreás, met Jacobus en Johannes.
30.En Simons vrouws moeder lag met de koorts; en terstond zeiden zij hem van haar.
31.En hij tot haar gaande, vatte hare hand, en richte ze op; en terstond verliet haar de koorts, en zij diende hen.
32.Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, brachten zij tot hem allen die kwalijk gesteld en van den duivel bezeten waren.
33.En de geheele stad was bijeenvergaderd omtrent de deur.
34.En hij genas er velen die door verscheidene ziekten kwalijk gesteld waren, en wierp vele duivelen uit, en liet den duivelen niet toe te spreken, omdat zij hem kenden.
35.En des morgens vroeg, als het nog diep in den nacht was, opgestaan zijnde, ging hij uit en ging henen in eene woeste plaats, en bad aldaar.
36.En Simon en die met hem waren, zijn hem nagevolgd.
37.En zij hem gevonden hebbende, zeiden tot hem: Zij zoeken u allen.
38.En hij zeide tot hen: Laat ons in de bijliggende velden gaan, opdat ik ook daar predike; want daartoe ben ik uitgegaan.
39.En hij predikte in hunne synagogen, door geheel Galiléa, en wierp de duivelen uit.
40.En tot hem kwam een melaatsche, biddende hem en vallende voor hem op de knieën, en tot hem zeggende: Indien gij wilt, gij kunt mij reinigen.
41.En Jezus met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit en raakte hem aan, en zeide tot hem: Ik wil, word gereinigd.
42.En als hij dit gezegd had, ging de melaatschheid terstond van hem, en hij werd gereinigd.
43.En als hij hem strengelijk verboden had, deed hij hem terstond van zich gaan,
44.en zeide tot hem: Zie dat gij niemand iets zegt; maar ga henen en vertoon uzelven den Priester, en offer voor uwe reiniging hetgeen Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. (Leviticus 14:10, 21, 22)
45. Maar hij uitgegaan zijnde, begon vele dingen te verkondigen en dat woord te verbreiden, alzoo dat hij niet meer openlijk in de stad kon komen, maar was buiten in de woeste plaatsen; en zij kwamen tot hem van alle kanten.


Terug naar boven

naar de bovenkant van deze pagina